Home / POVO / Criteria lwoo en PrO

Criteria lwoo en PrO

Sinds 1 januari 2016 is het samenwerkingsverband verantwoordelijk voor het toewijzen van de ondersteuning voor lwoo en pro. De scholen die binnen de regio van het samenwerkingsverband lwoo en pro aanbieden, vragen vanaf dat moment een aanwijzing lwoo of toelaatbaarheidsverklaring voor het praktijkonderwijs (tlv PrO) aan bij het samenwerkingsverband. De CTO besluit over de toewijzing en hanteert daarvoor de nu geldige landelijke criteria. Daarbij wordt gelet op intelligentie1 (IQ), leerachterstanden2 en sociaal-emotionele problemen3:

leerling is geïndiceerd voor: IQ leerachterstand sociaal-emotionele problematiek
praktijkonderwijs 55 t/m 80

(test !)

> 3 jaar (0,5)

(DLE is < 30 eind groep 8)

Nee
praktijkonderwijs

of LWOO

75 t/m 80 > 1,5 jaar (0,25)

(DLE is < 45 eind groep 8)

Nee
LWOO 75 t/m 90 1,5 (0,25) tot 3 jaar (0,50)

(DLE 30 – 45 eind groep 8)

Nee
91 t/m 120 1,5 (0,25) tot 3 jaar (0,50)

(DLE 30 – 45 eind groep 8)

JA!

Aangetoond d.m.v.

SE-onderzoek

  1. Het IQ van de leerling
    Bij het criterium IQ is een aantal bandbreedtes vastgesteld, afhankelijk van de vraag of het gaat om aanmelding voor leerwegondersteunend onderwijs of voor praktijkonderwijs. Verder zit er in de bandbreedtes een zekere overlap (het gebied tussen 75 en 80). Daar is bewust voor gekozen omdat in die bandbreedtes de grens tussen leerwegondersteunend onderwijs dan wel praktijkonderwijs niet scherp te trekken valt. Het is dus van belang dat de school voor voortgezet onderwijs kan motiveren waarom de leerling voor leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs wordt aangemeld. Het onderwijskundige rapport van de basisschool geeft hiervoor belangrijke informatie.
  2. De leerachterstand van de leerling
    Het gaat hier om de leerachterstanden van de leerling op de volgende vier domeinen:
    • technisch lezen
    • begrijpend lezen
    • spellen
    • inzichtelijk rekenen
    Om in aanmerking te komen voor lwoo of PrO dient er op minstens twee domeinen de vereiste leerachterstand te zijn, waarbij minstens één van die domeinen rekenen of begrijpend lezen moet zijn. De mate van leerachterstand die vereist is, verschilt al naar gelang het om leerwegondersteunend of praktijk onderwijs gaat. Over het algemeen hebben basisscholen goed zicht op de vorderingen (en dus ook op eventuele achterstand) van hun leerlingen op de genoemde leergebieden. Veelal zal de basisschool op dit gebied voldoende informatie kunnen verschaffen voor de indicatiestelling.
  3.   Sociaal-emotionele problematiek
    De term sociaal-emotionele problematiek kan veel betreffen. In het kader van de indicatiestelling gaat het enkel om sociaal-emotionele problematiek die leerling substantieel belemmert in zijn of haar deelname aan het leerproces. Denk daarbij met name aan faalangst, prestatiemotivatie en/of ‘emotionele instabiliteit’. Of er in substantiële zin sprake is van sociaal-emotionele problematiek wordt vastgesteld door middel van persoonlijkheidsonderzoek; uitgevoerd door een deskundige. Van de basisschool wordt geen diagnostiek verwacht. Wel kan een basisschool in het onderwijskundig rapport verwijzen naar(vermoedens van) sociaal-emotionele problematiek of naar onderzoek dat is afgenomen. Die informatie kan een rol spelen bij de afweging om in de verdere procedure een dergelijke diagnostiek nog in te zetten.